banner image
Geschiedenis

GESCHIEDENIS KARATE

Karate is ontstaan op Okinawa, het grootste eiland in de Ryukyu archipel, die zich tussen Japan en China uitstrekt. Door zijn gunstige ligging in de Oost-Chinese Zee ontwikkelde het Ryukyu koninkrijk zich vanaf de 14de eeuw tot een welvarende handelsnatie. Vooral met China ontstonden belangrijke betrekkingen, die leidden tot een diepgaande sociale en culturele beïnvloeding vanuit het Chinese vasteland. Via deze weg maakte de bevolking van Okinawa ondermeer kennis met de oude Chinese gevechtssystemen van het chuan fa. De technieken uit deze krijgskunsten versmolten geleidelijk aan met de traditionele martial art van Okinawa, simpelweg te (hand) genoemd, tot tote (Chinese hand).

De ontwikkeling van gevechtssystemen zonder wapens kreeg een bijkomende impuls door het algemene verbod op wapendracht dat koning Shoshin in 1477 uitvaardigde, en dat ook na de bezetting van de Ryukyu eilanden door de Japanse Satsuma-clan in 1609 gehandhaafd bleef. Vanuit de noodzaak zich met blote handen te moeten verdedigen, eventueel zelfs tegen gewapende bezetters, zouden de inwoners van Okinawa de uiterst efficiënte technieken van het tote verder verfijnen. Tegelijk ontwikkelde zich kobudo, waar men zich oefende in het gebruik van eenvoudige landbouwwerktuigen als wapens; de bekendste voorbeelden hiervan zijn de bo, de nunchaku, de tonfa en de sai. Zowel de trainingen in kobudo als in tote vonden in uiterste geheimhouding plaats. Hierdoor bestonden binnen tote, al naargelang dojo en leraar, significante verschillen. Net als het Chinese chuan fa verwees de term tote dan ook niet naar een eenduidig uitgewerkt gevechtssysteem, maar gold hij veeleer als een verzamelnaam voor een veelheid aan stijlen, stromingen en technieken (jutsu); vandaar dat er vaak over tote-jutsu werd gesproken.

De traditie van geheimhouding had echter ook tot gevolg dat tote tegen het einde van de 19de eeuw min of meer in de vergetelheid geraakt was. Maar een renaissance kondigde zich aan. In drie steden rond de haven van Okinawa - Naha, Shuri en Tomari - bleek tote immers opnieuw een vruchtbare voedingsbodem te hebben gevonden. Er ontwikkelden zich drie verschillende stijlen, genoemd naar de plaats van herkomst: Nahate, Shurite en Tomarite. De gevechtskunsten op Okinawa traden eindelijk uit de verborgenheid in het openbaar en werden stilaan gepopulariseerd en gesystematiseerd. In de loop van de 20ste eeuw veranderde de benaming tote-jutsu in karate-do (de weg van de lege hand), en geleidelijk aan ontstonden uit de drie 'basisscholen' - Nahate, Shurite en Tomarite - de verschillende karatestijlen zoals we die vandaag kennen.

GESCHIEDENIS GOJU-RYU

Voorgeschiedenis: Kanryo Higaonna & Nahate

Op 10 maart 1853 werd in de havendstad Naha Kanryo Higaonna geboren. Zijn vader was een schipper, en van jongs af aan - hij was amper 10 jaar oud - zou Kanryo hem geholpen hebben bij het zware werk op de boot. Op veertienjarige leeftijd begon hij bovendien aan een rigoureuze tote-training bij de in die tijd befaamde Seisho Arakaki sensei. Enkele jaren later, vermoedelijk rond 1873, besloot Kanryo Higaonna naar Fuzhou in de Chinese provincie Fukien te trekken, waar hij tussen 10 en 15 jaar bleef. De oorspronkelijke reden voor deze reis is niet helemaal duidelijk.

Meestal wordt gesteld dat de zoektocht naar de roots van tote Higaonna naar China hebben gedreven. Volgens sommigen zou zijn politieke engagement een minstens even belangrijke drijfveer zijn geweest. We bevinden ons immers op een belangrijk scharnierpunt in de Japanse geschiedenis: het einde van de Tokugawa-era en het begin van het Meiji-tijdperk, gekenmerkt door de sterke en snelle opkomst van nationalisme en militarisme. De Japanse greep op Okinawa werd alsmaar strakker, en de Meiji-regering eiste dat alle betrekkingen tussen Okinawa en China zouden worden stopgezet. De bevolking van Okinawa geraakte verdeeld in pro-Chinees tegenover pro-Japans, met elk een eigen politieke partij. Higaonna stond aan de zijde die het niet zag zitten om de (eeuwenoude) goede betrekkingen met China lam te leggen.
Wat ook de oorspronkelijke beweegredenen voor zijn vertrek waren, vast staat dat Kanryo Higaonna zich gedurende zijn verblijf toelegde op chuan fa onder het toeziend oog van Ryu Ryuko, een meester in de Chinese vechtkunsten. De trainingen waren uitermate zwaar, waardoor de jonge Kanryo een uitzonderlijk sterke fysiek ontwikkelde. In eerste instantie werd vooral de nadruk gelegd op krachttraining, ademhalingstechnieken en ashi-sabaki (stappen), door middel van het bijna eindeloos herhalen van Sanchin kata. In een volgend stadium leerde Kanryo Higaonna nog enkele oude Chinese katas van Ryu Ryuko, en verdiepte zich bovendien in de Chinese filosofie. Zo wijdde hij zich ondermeer aan de studie van het Confuscianisme, de geschriften van Sun Tsu en zijn favoriet, het boek Bubishi, waarin de technieken van het kraanvogel chuan fa zijn vastgelegd.

Na zijn terugkeer op Okinawa werd Higaonna sensei snel befaamd vanwege zijn uitzonderlijke kennis van en vaardigheid in de oude gevechtstradities, en werd de belangrijkste verantwoordelijke voor de heropleving van tote in Naha. De discipline en strengheid in zijn dojo waren spreekwoordelijk. In navolging van Ryu Ryuko onderwierp Higaonna sensei zijn leerlingen immers aan een taai en uiterst zwaar trainingsregime, met Sanchin kata als cruciaal onderdeel. Tegelijk legde hij echter ook veel nadruk op het belang van het filosofische aspect van de martiale kunsten. Verwijzend naar de acht grondregels van het chuan fa uit de Bubishi, en de strategie van Sun Tsu, stelde Higaonna dat fysieke training zonder mentale ontwikkeling geen tote was. Zelf stond hij bekend om zijn rustige en bescheiden aard in het alledaagse leven. Nederigheid, eenvoud en respect waren volgens hem even noodzakelijke eigenschappen van een bushi (krijger) als het beheersen van de techniek.
Op 63-jarige leeftijd stierf Kanryo Higaonna. Samen met zijn eigen legende, liet Higaonna sensei de erfenis van Nahate na. Enkele van zijn meest bekwame leerlingen - zoals Chojun Miyagi (de stichter van Goju Ryu), Kenwa Mabuni (de stichter van Shito Ryu) en Juhatsu Kyoda (de stichter van To'on Ryu) - zetten zijn levenswerk na zijn dood verder.

Chojun Miyagi, grondlegger van Goju Ryu

Chojun Miyagi werd op 4 april 1888 in Naha geboren. Als jonge tiener hielp hij met het opknappen van klusjes in en rond het huis van Kanryo Higaonna - wat in die tijd de gebruikelijke weg was om door een sensei als leerling geaccepteerd te worden - alvorens zijn training onder de befaamde grondlegger van Nahate te beginnen.
Miyagi was een uitmuntend karateka, die door zijn nooit aflatende inzet, zijn loyaliteit, en vooral door zijn uitzonderlijk talent Higaonnas belangrijkste leerjongen werd. Toen Kanryo Higaonna in 1914 ernstig ziek werd, nam Miyagi hem in huis om hem te verzorgen. Twee jaar later stierf Higaonna sensei.

Datzelfde jaar nog vertrok Chojun Miyagi naar Fuzhou om er op zijn beurt op zoek te gaan naar de wortels van Nahate, en zich verder te bekwamen in de krijgskunsten. De kennis die hij opdeed, gebruikte Miyagi sensei om Nahate verder te systematiseren door een soort curriculum op te stellen. Centraal hierin kwamen twaalf katas te staan, met Sanchin kata als fundament. Daarnaast werkte Miyagi bovendien een vaste trainingsstructuur uit, die nog steeds in veel Goju Ryu dojo's gevolgd wordt. Na het losmaken van het lichaam volgt een stevige opwarming waarbij de verschillende spiergroepen aan bod komen. Typische oefeningen zijn kotekitai, kakie en de zogenaamde hojo undo - krachtoefeningen waarbij hulpmiddelen als chishi, kongoken en nigirigame worden gebruikt - met als bedoeling het lichaam sterker te maken en te harden. Na de opwarming begint uiteraard de karatetraining, met aandacht voor kihon, kata en bunkai.
Chojun Miyagi ontwikkelde op die manier niet alleen een volwaardig gevechtssysteem, maar tegelijk ook een goed uitgebalanceerde training in lichaamsbeweging, lichaamscoördinatie, kracht én in wilskracht en karakter. Net als voor zijn leraar vormde ook voor Miyagi de mentale ontwikkeling van de beoefenaar immers een essentieel onderdeel van karate.
Naast de leerlingen in zijn dojo, onderwees Chojun Miyagi vanaf 1918 bovendien kinderen en studenten in de plaatselijke scholen. Vooral de twee Gekisai katas, die Miyagi zelf ontwikkelde, werden een vaste waarde in de scholen op Okinawa. Karate in het algemeen en Goju Ryu in het bijzonder brak nu definitief door, om stilaan over heel de wereld te worden verspreid.

De naam Goju Ryu (go betekent hard, ju zacht en ryu school of stijl) ontleende Chojun Miyagi aan de acht grondregels van het chuan fa in de Bubishi. Karakteristiek voor Goju Ryu is de combinatie van ronde, omschrijvende bewegingen enerzijds (vooral bij het verplaatsen en het opvangen van een aanval), met harde en rechtlijnige technieken in de tegenaanval anderzijds.

Sinds het overlijden van Miyagi sensei in 1953 wordt Goju Ryu karate vertegenwoordigd door een aantal scholen en organisaties, in navolging van verschillende leerlingen van Chojun Miyagi. Enkele van de belangrijksten zijn Jundokan (opgericht door Eiichi Miyazato), I.O.G.K.F. (o.l.v. Morio Higaonna), en Meibukan (gesticht door Meitoku Yagi). Hoewel er lichte verschillen bestaan (bv. in de uitvoering van bepaalde technieken in de katas), grijpt elk van deze scholen terug op een identieke kern: de twaalf katas van Goju Ryu karate-do.